De korte keten: een directe weg naar meerwaarde

Danny Van Assche

Danny Van Assche is gedelegeerd bestuurder van UNIZO en was voordien afgevaardigd bestuurder van Horeca Vlaanderen. Omdat hij heel dicht bij de ondernemers staat, vroegen we hem naar zijn visie op Reizen naar Morgen.

Waarom is het zo belangrijk dat we inzetten op de korte keten?

Danny Van Assche: “Dat is belangrijk vanuit verschillende optieken. Ten eerste is er het klimaatfeit. Hoe langer de keten, hoe meer transport en hoe meer druk op de omgeving. Daarnaast brengen lange ketens economische afhankelijkheid met zich mee. Door de coronacrisis hebben we het nadeel van die afhankelijkheid en het niet-zelfvoorzienend zijn, ervaren. Eigen controle en leveringszekerheid zijn voor bedrijven heel belangrijk, dus niet alleen prijs en efficiëntie zijn van tel. De korte keten is ook puur economisch een meerwaarde, want je houdt tewerkstelling en de lasten die geheven worden in eigen land en zorgt ervoor dat die op een correcte manier worden verrekend. Dat neemt niet weg dat we wel een open economie willen blijven waarin ook de internationale handel kan floreren. Maar dat 5,5 miljard euro aan e-commerce wegvloeit naar het buitenland, is natuurlijk minder interessant. We zijn niet minder gaan consumeren, maar kopen meer in het buitenland. Dat betekent enorme concurrentie voor onze ondernemers en een grote impact op onze stadscentra. Als de leegstand stijgt, wordt de dorpskern minder aantrekkelijk. Bovendien geven lokale ondernemers ook veel terug aan de gemeenschap. Zo geven ze gemiddeld 2.000 euro per jaar uit aan sponsorgelden voor lokale verenigingen, scholen, sportclubs, enzovoort. Dus wat je hier koopt, krijg je voor een groot deel terug. Daarnaast betekent lokaal consumeren meer authenticiteit, creativiteit, een betere dienstverlening en ervaring.”

Winkelhieren is nog nooit zo actueel geweest. Zien we effectief een shift naar een kortere keten?

Van Assche: “Winkelhieren gaat veel verder dan winkelen alleen. Het gaat over lokaal of binnenlands consumeren. Het is producten en diensten afnemen bij ondernemers van hier. Winkelhieren staat daarom niet lijnrecht tegenover e-commerce. Wel willen we de consument bewustmaken van de gevolgen wanneer die kiest voor het goedkoopste product uit het buitenland. Het betekent minder tewerkstelling en inkomsten uit belastingen, maar ook verloedering van onze centra.”

Zijn er ook nadelen aan binnenlands consumeren? Staan buitenlandse spelers niet veel verder?

Van Assche: “Over kwaliteit moeten we ons geen zorgen maken. Onze ondernemers zijn net zo creatief als internationale spelers. Wat het toerisme betreft, is onze markt gewoon kleiner. Dat veel mensen op vakantie gaan in eigen land ten gevolge van de coronacrisis is een enorme opportuniteit én uitdaging voor de Vlaamse toeristische sector. Want je wil de kwaliteit bieden die je anders biedt, maar je moet ook rekening houden met alle veiligheidsvoorschriften. Ons aanbod is heel rijk. Het kan zeker zo boeiend en uitdagend gemaakt worden als in andere landen. Maar wanneer de vraag zou toenemen, is het moeilijker om op dezelfde kwalitatieve manier iedereen zijn gading te laten vinden. We moeten onszelf wel blijven uitdagen. Want als een product vanzelfsprekend wordt en iedereen gaat er continu naartoe, dan verslapt de aandacht. Blijven investeren in kwaliteitsvol en interessant toerisme is dus de boodschap. Op heel wat plaatsen gebeurt dat al. Ik denk bijvoorbeeld aan de Zoo en Planckendael, die constant investeren om de beleving aantrekkelijker te maken en ook het dierenwelzijn mee te nemen. Ook zaken als online ticketing zullen voor sommige plekken belangrijker worden. Je kan dan een timeslot reserveren om het bezoekersaantal onder controle te houden. Zo kan je de lasten of risico’s beperken en de kwaliteit garanderen.”

Zoo Antwerpen
@ ZOO Antwerpen

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat ondernemers de crisis overleven?

Van Assche: “De crisis zorgde alvast voor twee positieve evoluties. De eerste evolutie was een grote golf van solidariteit. De consument wilde niet dat winkeliers in de problemen kwamen en is zo het Vlaamse online aanbod beginnen ontdekken. Consumenten hebben hier zelf veel moeite voor gedaan. En omgekeerd. Heel wat Vlaamse ondernemers werden gedwongen om online te gaan, anders hadden ze helemaal geen omzet meer. Ze hebben die belangrijke stap dus gezet. De tweede evolutie betreft de economische maatregelen om de koopkracht én de ondernemers te ondersteunen. De overheid heeft vanalles gedaan om voor overbrugging te zorgen. Als eerste reactie was dat zeer goed. Maar drie sectoren zijn heel hard geraakt: cultuur en events, horeca én alles wat met toerisme te maken heeft, van reisbureaus, luchthavenvervoer tot autocars. We moeten die sectoren perspectief bieden, ze ondersteunen en helpen overleven. We hadden gehoopt op de V-curve, maar de heropstart gaat toch niet zo snel als gehoopt en het risico op een heropflakkering van de pandemie blijft bestaan. Er zijn dus crisismaatregelen nodig om deze sectoren erdoor te krijgen. Daarna volgt een structurele aanpak. Als we naar het ‘nieuwe normaal’ gaan, want het zal geen business as usual meer worden, blijven we geconfronteerd met de kwetsbaarheid van de toeristische sector. Het is een arbeidsintensieve sector met hoge loonkosten en kleine marges.”

Voor Reizen naar Morgen is toerisme geen doel op zich, maar een middel om alle partijen beter te maken. Hoe staat u hiertegenover?

Van Assche: “Het is een belangrijk debat, want de toeristische sector kan slachtoffer van zijn eigen succes zijn. Kijk naar Brugge. Uit onderzoek blijkt wel dat veel Bruggelingen best positief zijn over het toerisme. Dat komt omdat veel mensen die in de sector werken, ook in Brugge wonen. Ze nemen de lasten erbij, omdat ze de meerwaarde van het toerisme zien. We moeten wel zorgen dat het kwaliteitsvol blijft. Wanneer je bepaalde grenzen van bezoekersaantallen overschrijdt, gaat de waarde van het product achteruit. Aan de andere kant kan je, juist doordat je meer bezoekers hebt, de prijzen schappelijker maken. Het is dus een kwestie van een evenwicht vinden, een ‘toerisme in balans’. De hamvraag: Waar is het turning point? Hoeveel mensen kan je op een kwaliteitsvolle manier ontvangen zonder dat de plek én de kwaliteit van het product eronder begint te lijden? Een stiltewandeling op de Kalmthoutse heide met duizenden mensen werkt bijvoorbeeld niet. Dat geldt evengoed voor massaproducten, zoals de kust of grote evenementen. In het belang van de omgeving en het product zelf, is er dan soms ook een numerus clausus nodig. Enkel wanneer ondernemers hier ook rekening mee houden, wordt het toerisme futureproof. Zo zoekt Tomorrowland bijvoorbeeld een modus vivendi met de gemeenten in de omgeving en hun inwoners.”

Welke voorbeelden, eventueel ook uit andere economische sectoren, kunnen toeristische ondernemers inspireren?

Van Assche: “De grootste veranderingen gebeuren vaak door invloeden uit andere sectoren. Echte game changers komen van buitenaf en kijken met een andere bril. De toeristische sector is in feite een conglomeraat van allerlei sectoren. Het is op zich al een zeer gevarieerde sector, maar het is interessant voor ondernemers om verder te kijken dan hun eigen sector om inspiratie op te doen. In toerisme zelf was men trouwens al heel vroeg bezig met digitalisering en vernieuwing. De sector heeft al veel golven van verandering meegemaakt, waar men in andere sectoren nu nog maar aan begint. Veel systemen voor boekingen en online reviews zijn ontstaan in de context van het toerisme. Intussen zijn ze in veel andere sectoren eveneens een evidentie geworden. Het is dus belangrijk om jezelf te blijven heruitvinden. Tijdens de coronacrisis bijvoorbeeld was er een bedrijf dat normaal beursstanden bouwt, plexischermen beginnen produceren. Alcoholproducenten begonnen handgels te maken en lingerieproducenten mondmaskers. Als je business stilvalt, moet je zoeken naar creatieve alternatieven en opportuniteiten. Dat gebeurde ook bij hotels die kamers aanboden aan zorgverleners, horecazaken die ontbijtmanden en afhaalmaaltijden lanceerden en de eventsector die voor virtuele concerten zorgde. De creativiteit om naar nieuwe markten te zoeken, zit in elke sector en is ook eigen aan ondernemerschap.”

Shopping
@ Frederik Beyens

Denkt u dat ondernemers bereid zijn om niet altijd voor meer groei te gaan en de bigger picture willen zien?

Van Assche: “Ondernemers meekrijgen is niet zo moeilijk wanneer je een verhaal hebt dat klopt én wanneer ze de marges kunnen halen waarvan ze kunnen leven. Maar een ondernemer heeft niet graag dat iemand anders komt zeggen hoe het moet. Hij wil zelf initiatief nemen, want dat is eigen aan het ondernemer zijn. Samenwerking is dus key. Toch mag je niet vergeten dat wanneer een product exclusiever wordt, het een hogere prijs krijgt. Want als het aantal klanten beperkt wordt, moet de omzet per klant hoger zijn. Op de Galapagoseilanden bijvoorbeeld wordt het aantal toeristen beperkt, om te vermijden dat de natuur vernietigd zou worden. Maar dat exclusieve zorgt ervoor dat de prijzen er heel hoog zijn. Om massatoerisme helemaal weg te krijgen, ga je zo dus iets ontwikkelen dat enkel voor de happy few toegankelijk is. En dat gaat regelrecht in tegen onze ambitie om vakantie ruim toegankelijk te houden. Hoe dan ook kan je ondernemers wel laten nadenken over hoe het duurzamer kan. Zij zijn vaak vooruitstrevender dan de overheid en beseffen heel goed dat duurzaamheid belangrijk is. Ze willen over het algemeen graag meewerken aan een circulaire economie, al moet het economisch haalbaar blijven. Wat ondernemers zeggen is: Geef ons een kader waarbinnen we het kunnen doen, geef ons doelstellingen en voldoende tijd. Het moet stap voor stap gebeuren, op een manier die ons economisch gezien niet in de problemen brengt. Ook in de toeristische industrie willen ondernemers op die manier nadenken over de toekomst.”

Wat is de rol van de overheid?

Van Assche: “De rol van de overheid en de relatie met de ondernemers is heel belangrijk. De overheid moet het kader creëren en zelf ook mee investeren. Het mobiliteitsprobleem is bijvoorbeeld enorm. Ook toeristisch gezien. Want toeristen moeten überhaupt op hun bestemming kunnen geraken, wil toerisme mogelijk zijn. Ook ondernemers liggen hiervan wakker. Daarom roepen we steden en gemeenten op hun circulatieplan in samenspraak met de ondernemers te ontwikkelen en niet zuiver top-down te werken. Want er moet een draagvlak voor zijn én ondernemers kennen hun klanten en hun omgeving het beste. Ze kunnen dus een heel belangrijke rol spelen. Toch hebben ondernemers nog vaak de reflex om klanten met de auto tot aan hun deur te willen laten rijden. Maar dat model is niet houdbaar. We moeten de auto terugdringen uit toeristische gebieden, maar op één belangrijke voorwaarde: dat er tijdig een betrouwbaar alternatief is. En dat is er momenteel nog onvoldoende. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om voor het kader te zorgen waarbinnen de transitie kan gebeuren. Onze aanpak moet rendabel zijn, maar de economie dient ook rekening te houden met meer zaken dan enkel rendabiliteit. Over heel het verhaal van duurzaamheid en overconsumptie willen ondernemers zeker mee nadenken. Het belangt hen tenslotte allemaal aan.”


Meest impactvolle reiservaring van Danny Van Assche

Danny: “Vorig jaar ben ik met TRIAS naar Afrika geweest, naar Guinee. Zoiets heeft impact, het is een shock, omdat je je niet kan voorstellen hoe mensen daar leven vooraleer je het met eigen ogen gezien hebt. Maar mijn meest impactvolle vakantie was een reis die al lang op mijn bucketlist stond: met mijn vrienden de Hadrian’s Wall afstappen. Dat had voor een stuk impact omdat ik een romanofiel ben. Het was tenslotte de muur van de Romeinse keizer Hadrianus en er waren heel mooie landschappen. Maar het meest impactvolle eraan was dat ik een week lief en leed heb gedeeld met 6 vrienden.”

“De belangrijkste impact van reizen, is dat je even je volle aandacht besteedt aan de mensen met wie je op reis gaat. Er even tussenuit zijn en aandacht hebben voor elkaar, dat is het belangrijkste.” —  Danny Van Assche

Uitgelichte afbeelding @ Filip Bunkens

Deel dit artikel